Elverdinge

De gemeente Elverdinge wordt voor het eerst vermeld in 1066. Tot aan de Franse Revolutie vormde Elverdinge één van de belangrijkste heerlijkheden van het graafschap Vlaanderen. Ze behoorde vaak toe aan de bastaardkinderen van de graven van Vlaanderen en hertogen van Boergondië (Bourgondiëstraat). Later volgden de families van der Burcht, de Belver en van Steenhuize.

Administratief was Elverdinge de hoofdplaats van de Acht Parochies, een speciale entiteit binnen de kasselrij Veurne. Na 1795 bleef Elverdinge tot 1819 de hoofdplaats van een apart gerechtelijk kanton.

Het kasteel kwam in 1827 in handen van de familie d’Ennetières (d’Ennetièresplein) en ging via huwelijk over naar de familie de Laubespin. Meerdere Elverdingse burgemeesters kwamen uit die families.

In 1977 werd Elverdinge bij Ieper gevoegd. De parochie is toegewijd aan de heilige Livinus (Sint-Livinusstraat). Deze heilige wordt vooral aanbeden tegen reuma en voetkwalen.

Elverdinge heeft een oppervlakte van 1388 ha., ligt langsheen de belangrijke verbindingsweg Ieper-Veurne en is tot op heden een vrij ruraal dorp gebleven. De gemeente telde in 1801 1280 inwoners, in 1976 1675 inwoners en op heden 1743 inwoners.

Het wapenschild van Elverdinge is “van zilver met een rode keper, vergezeld in punt van een kransje van hetzelfde”. Het was het wapen van de familie van Steenhuize.